De spelers

Een documentaire van deze omvang kent vele spelers. Camerawerk, geluidsopnamen, editing, scannen, reviven 8mm materiaal, fotomontage, voice-overs, muziek, enzovoorts.

Maar voor de camera en de microfoon vertellen de hoofdrolspelers openhartig hun verhaal over hun diensttijd, hun ontberingen en ervaringen, hun herinneringen.

Wij hebben er hier een aantal met hun verhaal uitgelicht.

Als jongen van achttien jaar was Arnout van de Werken nooit verder geweest dan de Bommelerwaard, een rustig landbouwgebied in Nederland. Niet zo vreemd want aan het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw was voor de meeste mensen de wereld niet veel groter dan hun directe leefomgeving.

Voor Arnout kwam hier abrupt verandering in toen hij zijn militaire dienstplicht moest vervullen in Suriname. Als onderdeel van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) kwam de jonge zoon van een tuinder terecht in een wereld die hij amper kende.

Op een dag komt het marsbevel voor een expeditie naar Palumeu. Vanuit Albina, te voet! Bij het inheemse dorp was een vliegtuig neergestort en de militairen werden geacht aanwezig te zijn. Arnout maakt tijdens deze expeditie voor het eerst daadwerkelijk kennis met de oorspronkelijke bewoners van het regenwoud.

Hoogtepunt van het bezoek is een fotosessie, waarbij het complete dorp in vol ornaat poseert voor de inmiddels weer vertrekkende soldaten.

In 1996 brengt Arnout na 40 jaar opnieuw een bezoek aan Palumeu. Uiteraard heeft hij de foto mee en deze oude foto is een hit. Het hele dorp wil kijken wie er op staan en Arnout wordt allerhartelijkst ontvangen. Bij zijn vertrek vraagt Arnout of hij iets kan betekenen voor het dorp.

De kapitein reageert een beetje onverschillig, de vraag is hem al zo vaak gesteld en in de praktijk blijken gedane beloften zelden of nooit te worden nagekomen. Arnout begrijpt de scepsis van de kapitein maar vraagt desalniettemin wat hij bij een volgend bezoek mee kan nemen, mocht het er ooit van komen. Zes maanden later is hij weer terug in Palumeu, met de gevraagde kettingzaag en buitenboordmotor.

De kapitein geeft ruiterlijk toe zich vergist te hebben en benoemt Arnout tot een vriend van het dorp. Dat komt goed uit, vrienden kunnen veel voor elkaar betekenen en Arnout wil graag iets meer betekenen dan een kettingzaag. Hij besluit samen met de dorps bewoners een stuwdam te bouwen om zo elektriciteit op te wekken voor het dorp; in januari 2006 hadden ze dan ook stroom op de dam.

Jos Steeman kwam als jonge beroepsofficier in 1960 naar Suriname. Hij is tijdens de weg naar de onafhankelijkheid in 1975  als beroeps officier overgegaan naar de SKM (Surinaamse krijgsmacht).

Dat betekende dat hij vanaf dat moment onderdeel was van het Surinaamse in plaats van het Nederlandse leger.

Hij kan ons vanuit een bijzonder perspectief vertellen over alles wat hij meegemaakt heeft, zowel als militair als een burger samen met zijn gezin. Jos geeft ons een unieke inkijk in hoe hij de coup en de Decembermoorden van dichtbij heeft meegemaakt. Zo was hij gevangen gezet in 1982 in Santa Boma en heeft ook hij voor zijn leven gevreesd.

Toch heeft hij een manier gevonden om in het onrustige Suriname van de jaren 80 samen met zijn gezin een ander bestaan buiten het leger om (waar hij natuurlijk als Nederlander uitgezet was door Bouterse en consorten) op te bouwen en is er altijd gebleven op één poging na om het
weer eens in Nederland te proberen, maar dat beviel hem maar niks.

Hij heeft zoals hij zelf zegt het ‘Suriname virus’ opgelopen en wil er ondanks alles wat hij heeft meegemaakt toch nooit meer weg.

Ad van Wingerden ging in 1970 naar Suriname met het 2e peloton Alpha compagnie. Een tijd die hij nooit meer zou vergeten.

Hij richtte in 1987 de stichting Triskontakten op, wat uitgroeide tot een bijzondere vereniging van ex-dienstplichtigen en beroepssoldaten die net als hij, gediend hadden in Suriname en de behoefte voelden om dit niet vergeten te laten zijn.

“Als je de geluiden van Suriname hoort, dan ben je thuis!”

In 2013 kwam er zelfs een heus TRIS-museum en een monument voor hen die ons ontvielen in Nederland en in Suriname op een prominente plek bij Fort Zeelandia in Paramaribo. Iets waar de Nederlandse regering in eerste instantie niet om stond te springen maar met alle inzet en hulp van onder andere oudkolonel der strijdkrachten Peter van Uhm en de toenmalig Surinaamse Minister van Defensie dhr. Latour mogelijk is gemaakt.

Daarnaast organiseert hij al meer dan 15 jaar de Tris-reizen waar ze samen met een grote groep oud dienstplichtigen terug keren naar die plekken in Suriname waar ze zoveel mooie en bijzondere herinneringen aan hebben.

Zo stonden ze dit jaar nog met z’n allen op de top van de Kasikasima, vlak bij de Braziliaanse grens in het
Oranje gebergte alsof het weer 1970 was.

Anne de Vries vertrok in 1962 voor een jaartje dienstplicht naar Suriname. Ondanks dat hij uit het Friese dorp Appelscha kwam, was hij een koukleum en stond hij vroeger al liever binnen in huis zijn moeder te helpen dan te werken op het land zoals zijn broers deden.

Want in huis stond de kachel aan en was het lekker warm. Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij na zijn jaar dienstplicht besloot te blijven. 

‘Nederlanders hebben een horloge, maar in Suriname hebben ze de tijd’

Hij vond een baan bij naamgenoot H.J de Vries bestrijdingsmiddelen en beleefde een mooie tijd
waarin hij op zijn brommertje door de oude plantage-gemeenten aan beide kanten van de Surinamerivier reed en zijn werk deed.

Zijn grote hobby was altijd al sport en met name wedstrijd zwemmen, het natuurbad in Appelscha had de zelfde bruine kleur als de Colakreek in Suriname, dus hij voelde zich hier ook als zwemmer al
snel thuis. Anne deed een opleiding tot zwemcoach en heeft diverse marathons gelopen, maar ook
de bekende zwemmarathon over de Suriname rivier van Domburg naar de Marinetrap  heeft hij meerder keren op zijn naam gezet, ondanks de moeilijke stroming en de brandende zon.

Anne woont nog altijd in Suriname en hoeft daar wat hem betreft nooit meer weg.

Jacques Staal

Jacques Staal vertrok als jongen van 19 naar Suriname om daar zijn dienstplicht te vervullen. In die tijd kwam je Nederland niet uit en hij wilde wel eens wat meemaken.

De militaire dienstplicht was de mogelijkheid om op avontuur te gaan. Hij nam deel aan diverse patrouilles door heel het land, samen met de ondersteuningscompagnie waar hij bij ingedeeld was.

In de vrije weekenden trok hij er samen met zijn dienstmaatje Hans op uit en ontdekte het echte Suriname. Ze wilden het echte leven van de binnenlandse bevolking meemaken en dat is ze gelukt.

Ze sliepen bij de Marron-gemeenschap en gingen samen met de inheemse bewoners van de dorpen jagen in het bos. Die schoten nog met pijl en boog en het was vrijwel altijd raak!

Vanuit zijn woonplaats in Nederland (Leiden) kende hij een dierenhandelaar, die hem in contact had gebracht met de in Paramaribo woonachtige familie Ramratan, waarmee hij samen een kleine dierenhandel opzette naar Nederland. De familie verzorgde de dieren, voordat zijn contact bij KLM de beesten verscheepte naar Nederland. Hij zorgde ervoor dat dit goed gebeurde en de dieren heelhuids aankwamen op de plaats van bestemming.

De discipline en belevenissen die hij dat jaar mee kreeg zouden hem voor de rest van zijn leven bij blijven en vormen. Avontuurlijk is hij altijd gebleven. Zo beklom hij later de Mount Everest en zeilde hij samen met zijn vrouw Nel de hele wereld rond.

Roger Beets reisde als 6-jarig jongetje in 1958 samen met zijn ouders en broer per boot naar Paramaribo, om daar 5 jaar te gaan wonen. Zijn vader was Kolonel Beets die als commandant (COTRIS) verantwoordelijk was voor de Troepenmacht in Suriname.

Roger kan zich nog goed herinneren waar hij op school heeft gezeten en dat je in de tropen geleerd werd dat “de Rijn in Lobith ons land binnenkomt”.

Als je dan vroeg ‘waar de Surinamerivier vandaan kwam’ was het antwoord ‘ergens in de bush-bush’

Zijn ouders hadden door de functie van zijn vader vaak bijzondere mensen op bezoek zoals o.a leden van het Koninklijk huis maar ook President Dwight D. Eisenhower van de USA.

Omdat zijn ouders veel gefilmd hadden met hun 8mm camera, blikken we letterlijk samen met hem terug op de belevenissen die hij meemaakte als zoon van de Kolonel. Veel oud-TRISers herinneren zich nog goed ‘Kamp Beets’, hun eerste kennismaking met de ‘jungle’.

Boottochten tot diep de jungle in of per korjaal naar de Wonotobo watervallen in het binnenland. Bezoeken aan Moengo, Albina, Nickerie en vissen op pirana en trapoen waren slechts enkele dingen die een diepe indruk hebben gemaakt op dit Hollandse jochie.

Hij keert voor het eerst terug in 55 jaar en het bezoek aan hun ouderlijk huis van toen is dan ook een bijzonder en emotioneel weerzien. Officieren van het Surinaamse leger hebben in de jaren ’80 ook nog hun intrek genomen in dit zelfde pand naast Fort Zeelandia. Roger trof zijn oude slaapkamer vrijwel onaangetast aan.

Wim Vos was in 1955, op een paar meter afstand, ooggetuige van het mijnongeluk op de Matta Savanne, waar voor zijn ogen zes jongens uit zijn peloton, plus twee officieren om het leven kwamen.

Zoals Wim zelf zegt was het wel echt een andere tijd, er waren bijvoorbeeld geen mobieltjes, dus de gewonden moesten toen er eindelijk contact was met de kazerne in Paramaribo, nog twee uur
wachten voor ze medisch hulp konden krijgen.

Met een open buik maak je dan niet veel kans, daarom zijn er een aantal jongens letterlijk in hun handen dood gebloed. Defensie stond er om bekend dat het nu niet bepaald het beste materieel richting Suriname stuurde dus waarschijnlijk was deze anti-tankmijn verroest en waren de mannen vanaf het moment dat deze op scherp gesteld werd, al ten dode opgeschreven.

Wim heeft zelf een sterk karakter maar dat geldt niet voor alle jongens die er bij waren, zeker niet degene die soms zelfs blind door het leven moesten. Over PTSS werd nog helemaal niet nagedacht en
er was weinig tot geen hulp voor de jonge jongens die getuigen waren van deze verschrikking.

Wim is 5 jaar geleden samen met zijn huidige vrouw terug verhuisd van Nederland naar Suriname, waar hij met veel plezier zijn oude dag beleefd. Hij is Suriname nooit meer vergeten of er minder van
gaan houden, ondanks wat er is gebeurd toen in 1955.

John Kieskamp

John Kieskamp had als kind al in Indonesië en op Curaçao gewoond door het werk van zijn vader bij Shell.

Na een telegrafistenopleiding op de Elias Beeckman kazerne in Ede, vertrok hij als specialist-telegrafist in 1973 naar Suriname om daar een jaar dienstplicht te volbrengen bij de TRIS.

Als specialist was je niet standaard bij een peloton ingedeeld, maar werd je naast werkzaamheden in de seinzaal op de diverse kazernes door heel het land, ook apart opgeroepen om mee te gaan op patrouille. Het was zijn verantwoordelijkheid de verbindingen met de stad te onderhouden.

Tijdens een patrouille kon er van alles gebeuren, zoals verdwalen of iemand van je peloton kon gewond raken en dan was zo’n verbinding leggen van essentieel belang. Het was een ander perspectief dan hetgeen wat ‘Jan Soldaat’ ervoer door de extra verantwoordelijkheid die op je schouders kwam te liggen.

Suriname heeft hem een bijzonder herinnering opgeleverd die hij tot op de dag van vandaag koestert. Het land, zijn gemengde bevolking en de manier van met elkaar omgaan, zijn daar onderdeel van.

Kees van der Spek

Kees van der Spek die na zijn diensttijd nog een periode in Zuid-Amerika verbleef, belandde na het ontmoeten van zijn vrouw in haar thuisland, in Australië en woont daar sinds 1977 nog steeds.

Het begon allemaal in 1974 waar hij later voor een extra jaar bij zou tekenen als telegrafist bij de Troepenmacht en getuige was van de demobilisatie en ‘versurinamisering’ van het land.

Omdat hijzelf in Suriname wilde demobiliseren en niet op de ochtend van 25 november 1975 met de TRIS naar Nederland zou terugkeren, had hij het voorrecht om de laatste avonddienst op 24 november toegewezen te krijgen. Zo kon hij om middernacht van 24 op 25 november 1975 het laatste (binnenlandse) radioverkeer voor de TRIS afsluiten.

En daarmee de wacht over te geven aan Kpl. De Randamie, zijn collega van de nieuwe Surinaamse Strijdmacht (SKM).

Met zijn laatste radiowacht eindigde zo de geschiedenis van de TRIS verbindingsdienst in Suriname, toch bijzonder en vanuit geschiedkundig oogpunt opmerkelijk om dat te hebben kunnen doen.

... en bijdragen van Surinaamse Trissers

Naast de Nederlandse dienstplichtigen waren er ook die van Surinaamse afkomst die of in Nederland woonachtige waren en als gevolg daarvan opgeroepen werden of later in de aanloop naar de versurinamesering van het leger opgeroepen werden om zich aan te melden bij de TRIS.

Waar de Nederlandse jongens in het weekend vaak op de kampementen bleven, konden de Surinaamse Trissers naar familie of vrienden. Een manier om toch buiten het kampement (naast de reguliere bezoeken aan de stad) te komen, was door mee te gaan met een Surinaamse dienstplichtige. Dit leverde vaak bijzondere vriendschappen op en zo zag je het echte Surinaamse stadsleven van dichtbij.

We volgen een aantal van deze Surinaamse Trissers zoals bijvoorbeeld Justus Hew A Kee die zijn loopbaan begon bij de TRIS en later als beroepsmilitair bij de SKM en het nationale leger, waar hij als directeur van het militair hospitaal werkzaam was.

Daarnaast neemt Andre Gerharz ons aan de hand mee over het oude Prins Bernard kampement, wat nu de Memre Buku kazerne is in Paramaribo. Een zogenoemde ’trip down memory lane’ wat een mooi plaatje oplevert.

Henk Treurniet
Oma.......
Joop Koopmans
Kolonel Hew A Kee
De Broeders
Andre Gerharz
Anton Treffers
TRIS monument